Het was lang geleden dat hij de wereld zo bekeken had. Met een dikke warme sjaal, een witte muts met een blauw rode pluim, de zwarte wollen handschoenen en een stralende lach. Het wit aan de takken glansde mooier dan kristallen onder de strak blauwe hemel. De zon was al over zijn hoogtepunt, en maakte rustig aanstalten naar het oosten te gaan, om uit te rusten. De zonnestralen schenen door de mist en namen hem mee naar een sprookje. Ze namen hem mee naar deze wereld van perfectie, waar hij een middag in rond mocht dwarrelen. Niet in het verleden, of in een snoephuis. Ook niet met heksen en dwergen. Zelfs niet met prinsessen en ridders. Dit was zijn sprookje. De werkelijkheid die te mooi was om als “een mooie dag”te bestempelen. Deze dag kreeg de stempel “sprookje”.
Lopend over het bospad zag hij de bomen. IJspegels aan de takken deden hem de kracht van schoonheid zien. De kabbelende beekjes rond het kasteel waren tot stilstand gekomen, en gaven hem de mogelijkheid op het water te lopen. Op dit spiegelende water kon hij glijden zonder het resultaat te weten. Zonder de grenzen te bepalen. Het stuur had hij niet in eigen hand. En juist dat is het moment dat hij kon genieten. De gedachten van een kind die speelt met een bal en een hoepel, op het veldje waar de geur van gemaaid gras in de lucht hangt. Zo was zijn blijdschap. Rennend van de heuvel schoof hij op zijn buik over het ijs, en genoot van de meters die hij aflegde terwijl hij gleed de tunnel van wijd geopende benen, die hem nakeken terwijl hij onder hen door schoot.
Het sneeuw van de grond bedekte zijn haar, en met een brede glimlach en glinsterende ogen keek hij. Hij keek naar datgene wat het sprookje tot een sprookje maakte. Hij keek naar degene die de prinses is. Haar ogen deden zijn hart tekeer gaan. Die blauwe ogen die van onder haar petje naar hem keken. Die ogen die zeiden: “ik laat niet weten wat ik denk”. Haar lach doet de vogels fluiten, en de vlinders vliegen. Vanuit het niets zitten ze dan in zijn buik. Maar wie is hij? Wie is die jongen die nooit ridder zal zijn? Die nooit het zwaard zal heffen om de draak te verslaan. Deze jongen wacht op haar. Hij wacht tot de prinses naar hem komt met de blik van zijn projectie,en zegt: van alle jongens ben jij het meest speciaal.
Ik klapte het boek dicht, en legde het bij die boom waar ik hem vond. Daar in een daal van veen. Ik bedekte het met bladeren en liep weer verder.
zondag 23 december 2007
zaterdag 1 december 2007
Vandaag
Dit is weer zo ’n dag. Zo’n dag waarop je van alles kan doen. Een dag die vol gepland zou moeten staan met alle taken die ik steeds weer heb uitgesteld. De minuten tikken weg. Steeds een paar in een uur. Zo voelt het. Mijn sinterklaas gedicht moet ik nog maken. Voor school kan ik nog genoeg doen. Het cadeautje voor vanavond kan ik nog inpakken. Tijd met God heb ik vandaag ook nog niet gehad. Maar geen van die dingen doe ik. In plaats daarvan typ ik dat niks doe. Starend naar buiten met gedachten over emoties, en emoties door mijn gedachten. Eigenlijk ben ik maar met een ding echt bezig. En dat is juist datgene waar ik echt niet mee bezig wil zijn. Voortdurend strijd ik in mijn hoofd. De troepen van het verstand tegen de legermacht van mijn gevoel. De infanterie op de muren. Zij verdedigen wat ik wil. Zij moeten stand houden tegen het onverstandige. Tegen de strijdwagens van het gevoel. Tegen de strijdwagens die zoveel sterker zijn dan de verdedigende soldaten. Tegen die macht die als een golf over mijn protectie walst. Het vervelende van golven is dat ze niet te stoppen zijn en overal door heen breken. Je kan ze niet beheersen en je kan je er niet tegen beschermen. Deze golf overstroomt me, en ik verdrink. Ik verdrink in mijn fantasie. In onwerkelijkheid. In de mooiste droom. Nu zink ik naar de bodem, waar het blinkende koraal is. De mooiste kleuren die bestaan zijn daar te vinden. Ik wil ze pakken. Die kleuren die me blij maken, die me geven wat ik zoek. Maar zodra ik mijn hand uitstrek worden mij de ogen geopend. Dan zie ik dat er geen koraal is. Dat er geen antwoord is op een te groot verlangen. Ik zie slechts de kleuren veranderen in bruin en grijs. In de lucht buiten en de kale bomen om me heen. Want dat is hoe het echt zit. Dat is wat verstandelijk klopt. Bomen die kaal zijn. Ze hebben geen blaadjes meer om af te werpen, want die hebben zelf al afscheid genomen. Ze liggen nu te rotten op de grond, en beloven de boom dat hij volgend seizoen nieuwe blaadjes krijgt. Nieuwe kleuren en een gevoel van blijdschap. Maar de boom is ook niet dom. Hij weet dat ook die blaadjes weer afscheid zullen nemen. Dan dwarrelen ze naar beneden en rotten weg. Het zijn herinneringen die de diepte van de aarde lastig vallen. Het zijn uitgesproken gedachten waar al de glans van is verdwenen. Wat doe ik weer moeilijk he? Koraal in de zee, bladeren onder de boom, en grijze lucht. Ik snap zelf niet dat ik het nodig heb om zo heen te draaien om mijn eigen hart. Maar het doet me goed om erkenning te krijgen. Om te zien dat zelfs de natuur instemt met mijn innerlijke verhaal. God toont me elke dag weer hoe bijzonder alles is wat hij heeft gemaakt. En dat gebruik ik dan ook. Ik geniet ervan om met de wonderen van deze planeet mijn gedachtewereld te vergelijken. Alleen wijst God niemand af. Hij maakt steeds alles nieuw. Een nieuw seizoen is als een nieuwe start. En dit nieuwe seizoen kijkt niet terug op de blaadjes die vorig seizoen van de boom vielen. Die zijn namelijk verteert. Ze liggen in de zee van vergeten herinneringen. Ze zijn niet meer nodig omdat ze eigenlijk alleen maar pijn met zich mee brengen. En hoe herkenbaar is dat? Ik sleep dagelijks met een zware tas. Niet met boeken of kleren. Met eten of geld. Nee, met lood. En als ik goed kijk staat er iets ingekerfd. “Afwijzing”, staat er op een. “Onzekerheid” staat op een tweede. “onnuttig” staat weer op een andere. En zo loop ik door het leven. Wel een beetje onaardig van me, dat ik die tas aan Jezus wil geven, maar niet de overbodige dingen uit die tas haal. Zo laat ik Hem lijden voor mijn leven. “Heer Jezus, zet die tas maar even neer. Ik moet er nog wat uithalen, bedacht ik me net”. De tas ging open en Jezus kijkt me aan. “Ja, ik hoopte al dat je die niet meer nodig had. We kunnen onze reis veel sneller lopen zonder onnodig zware last. Geef ze maar aan Mij”. Zijn stem klinkt zo liefdevol en wijs! Hij pakt de brokken lood, en in Zijn hand smelt het weg. Door de gaten in zijn handen loopt het weg in de put. Die vervoert het naar de zee. De zee van vergeten herinneringen.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
