De grote witte deuren staren me aan, en achter hun met gaas bedekte ramen ligt een gang. Een gang met nog veel meer deuren, en huilende families. Een gang die er iets te schoon uit ziet. Een glans van mensen dicht bij de dood. Doctoren in witte jassen, en verhalen over een zo comfortabel mogelijke dood. En daar, achter die dubbele deur, daar lig je dan. Samen met mama en Anneke, en met Rob en Frank, lopen loop ik naar je toe. De afgelopen week had je lekker geslapen he Ruud?...Nu was je klaar wakker. Met je ogen keek je op als we je naam noemde, de rimpels om je mond trokken aan als we iets leuks vertelde, en je ademhaling haperde wat als je iets wilde terug zeggen. Maar praten kan niet. De slangen en buizen in je mond en neus voorkomen dat. We hebben nu slechts je gezicht om aan af te lezen wat je vindt, en wat je voelt. "lig je lekker Ruud?" vroeg ik nog aan je. "je hebt de mercedes van de bedden. Speciaal voor jou. We zijn hier nu allemaal Ruud. Ron, Frank, Harry, Marjoleine, Rob, Anneke, en natuurlijk Wido, je grote vriend. En ik ben er ook Ruud. En weet je waarom? Omdat we van je houden. Omdat jij degene bent die onze familie altijd zo bijeen hield. Omdat jij de grappen maakte waar we van op de grond vielen. Omdat jij 5 minuten in je koffie roerde. Dat moest ook wel, met die bergen suiker. Omdat jij gewoon Ruud bent, onze lieve oom, broer of vriend. Ja Ruud, dat ben jij." De tranen in mijn ogen, en de trilling van mijn stem neemt aanvang en maakt dat ik even zwijg, en in mezelf denk; nu lig je daar. Slechts de medicijnen en de vele apparaten zorgen dat je nog ademt. Maar dat weet jij niet. Jij weet niet hoe dicht bij je bij de dood bent. Dus ga maar lekker slapen Ruud. Want die slaap neemt je mee naar de Vader, naar de plek zonder pijn en verdriet. Je weet toch nog wat ik zei Ruud? je weet toch dat God van je houdt, en bij je wil zijn? je weet toh dat Jezus jouw schuld heeft betaald? je weet toch dat God liefde en rechtvaardig is? Je weet toch dat je Hem nodig hebt? toch...?
de laatste moment zijn aangebroken. De ochtend zal je niet meer halen, of hooguit de eerste zonnestralen. "Ruud, dit wil ik je nog zeggen: ...God houdt van je. Hij heeft je gemaakt. Hij wil bij je zijn, nu, en voor altijd. Hij wil nu ook jouw trooster zijn in deze pijn. En jij mag ja zeggen. Onthoud dat jongen. Onthoud dat lieve oom. Ik ga nu naar huis. Maar we laten je niet alleen hoor. Ron blijft hier, en papa. en Frank ook. Je broers zijn er de hele nacht. Doei Ruud!"...
nog vol onbesef loop ik naar de dubbele deur, die mij weer in die gang zet. Die gang met ziekenhuis lucht. Die gang met de geur van ellende, van dood, en niet van genezing. Nee, dan zou je wel ergens anders liggen. Niet op de intensive care. "Dit was mijn afscheid", dringt dan tot me door. Dit was het laatste contact met Ruud. Samen met mama loop ik naar buiten. Dan voel ik weer die insectenbeet. Die pijn die me al heel de dag teistert, maar even was verdwenen voor de tijd met Ruud. Maar nu bijt het weer. De wind blaas tegen mijn handen, en mijn haar waait voor mijn ogen. Een sluier van emoties. De stoplichten bleven langer rood dan normaal, en de mensen waren agressiever. En mijn moeder bleef praten. Dat hoort bij haar. stilte is er niet bij. Herrinneringen werden opgehaald, en meer en meer besefte we dat het lijden van Ruud heel onze familie hechter maakte. Dat is ook altijd zijn grootste wens geweest. Niet het lijden, maar wel de familie als hoogste prioriteit. Veel meer had hij ook niet.
En nu Ruud, nu vloeien er tranen over mijn wangen voor jou. tranen van liefde. Jij zal blijven leven Ruud. In onze harten. Want je bent altijd zo heerlijk jezelf geweest. En zo zullen we je blijven herrinneren.
Doei Ruud, voor de laatste keer. En ik zie je later weer terug toch?...