zondag 22 juli 2007

over thinking



Your eyes, they draw me to your heart.


Your voice, can fly me to the stars.


What if this dream could be real?


Our fantasy could take us anywhere




We could fly to the ocean,


to see the sun fading behind the sea


You are holding my hand,


I don 't think we'll ever leave




We could walk through a forest


and get lost behind the trees


You can sleep in my arms if you want to


I don 't think we'll ever leave




I guess it 's up to us,


to stop the clock from ticking






woensdag 18 juli 2007

Verf en calorieën.

Daar kwam je binnen. Je gitaar had je meegenomen, en ook je mooie stem. Ik vertelde je over Ruud, over mijn gedachten en over zijn leven. Jij luisterde. Dat was ook alles wat nodig was. het verhaal van het ziekenhuis, en de band van onze familie. Mijn vochtige ogen....en jouw troostende schouder.
De gitaar was niet voor niets mee. Het opgevouwen papier kwam tevoorschijn en daarbij het geluid de gitaar. Je stem zong mijn gebed, want zo voelde het, en jouw ogen droegen mijn tranen, want zelf huilde ik niet. Terwijl ik wel zou willen huilen. Al was het alleen omdat ik zo bewonder wat je voor me doet, en er zo voor me bent.
Toen moesten we werken. Jij met schuurpapier, en ik met een roller. De muziek vanuit de boxen verfijnde de werksfeer, en voor de rest was onze aanwezigheid genoeg. Na hard werken, en een tekort aan schuurpapier, was het tijd voor een break. Mijn T-shirt voelde aan als steen door het met verf gestempelde patroon, al zaten jouw herrinneringen er in. We zagen er niet uit. En dat is waarom ik er zo van genoot om met jou de winkels in te lopen. Om te kijken naar de blikken van bejaarden, of naar de nog minder subtiele opmerkingen van pubers. Traditioneel dronken we koffie op het te kleine houten bankje in de Super de Boer. Maar de break was nog niet voorbij. Het was de tuin van mijn huis die ons uitnodigde met haar vele organismen om onze voeding bij haar te komen nuttigen. Het verrotte houten bankje in de tuin hield ons nog wel, samen met de rondspringende padden. Jij las voor hoeveel calorieën we binnen haalden, en ik genoot van de smaak. Ieder zijn ding. Met onze volle buiken konden we natuurlijk niet werken (dat kan toch niet he?). Dus eerst even uitbuiken. Het prikken in mijn buik hielp daarbij. ik kronkel zo in elkaar, en dat is dan genieten. De jeuk door de vele kleine diertjes werd wel steeds erger, en deed ons besluiten op te staan. We zouden weer gaan werken. We zouden weer energie moeten hebben. Maar het maakt niet uit. De houten vloer droeg je wel, en anders wel maria, mijn lieve schapen-kussen. Zo chillde we daar, totdat je besefte dat je alweer te laat was. Ik ging weer verfen, en later eten bij de snackbar.Jij stapte op de fiets. Op naar huis, en daarna naar je paard.
Misschien was het een best normale dag. Misschien was het allemaal niet zo bijzonder. Maar dat ben jij wel. Echt waar.

knuffel. een echte.

Rust in Vrede.

[As your voice fades - Emery]
somebody please tell me what am I suppose to do? you've died, and I'm here, thinking that I hear your voice, but it's somebody else. it's always somebody else.
why did you die?! don't leave me please! I beg you God tonight! bring me peace. I'll never sleep without the dreams of you alive here with me, alive here with me.
the brightness left your eyes, as I held your face. don't tell me it's the right time and your last words will sustain me until my end...until I see you again

Slaap zacht lieve Ruud.

dinsdag 17 juli 2007

Heey Ruud

De grote witte deuren staren me aan, en achter hun met gaas bedekte ramen ligt een gang. Een gang met nog veel meer deuren, en huilende families. Een gang die er iets te schoon uit ziet. Een glans van mensen dicht bij de dood. Doctoren in witte jassen, en verhalen over een zo comfortabel mogelijke dood. En daar, achter die dubbele deur, daar lig je dan. Samen met mama en Anneke, en met Rob en Frank, lopen loop ik naar je toe. De afgelopen week had je lekker geslapen he Ruud?...Nu was je klaar wakker. Met je ogen keek je op als we je naam noemde, de rimpels om je mond trokken aan als we iets leuks vertelde, en je ademhaling haperde wat als je iets wilde terug zeggen. Maar praten kan niet. De slangen en buizen in je mond en neus voorkomen dat. We hebben nu slechts je gezicht om aan af te lezen wat je vindt, en wat je voelt. "lig je lekker Ruud?" vroeg ik nog aan je. "je hebt de mercedes van de bedden. Speciaal voor jou. We zijn hier nu allemaal Ruud. Ron, Frank, Harry, Marjoleine, Rob, Anneke, en natuurlijk Wido, je grote vriend. En ik ben er ook Ruud. En weet je waarom? Omdat we van je houden. Omdat jij degene bent die onze familie altijd zo bijeen hield. Omdat jij de grappen maakte waar we van op de grond vielen. Omdat jij 5 minuten in je koffie roerde. Dat moest ook wel, met die bergen suiker. Omdat jij gewoon Ruud bent, onze lieve oom, broer of vriend. Ja Ruud, dat ben jij." De tranen in mijn ogen, en de trilling van mijn stem neemt aanvang en maakt dat ik even zwijg, en in mezelf denk; nu lig je daar. Slechts de medicijnen en de vele apparaten zorgen dat je nog ademt. Maar dat weet jij niet. Jij weet niet hoe dicht bij je bij de dood bent. Dus ga maar lekker slapen Ruud. Want die slaap neemt je mee naar de Vader, naar de plek zonder pijn en verdriet. Je weet toch nog wat ik zei Ruud? je weet toch dat God van je houdt, en bij je wil zijn? je weet toh dat Jezus jouw schuld heeft betaald? je weet toch dat God liefde en rechtvaardig is? Je weet toch dat je Hem nodig hebt? toch...?
de laatste moment zijn aangebroken. De ochtend zal je niet meer halen, of hooguit de eerste zonnestralen. "Ruud, dit wil ik je nog zeggen: ...God houdt van je. Hij heeft je gemaakt. Hij wil bij je zijn, nu, en voor altijd. Hij wil nu ook jouw trooster zijn in deze pijn. En jij mag ja zeggen. Onthoud dat jongen. Onthoud dat lieve oom. Ik ga nu naar huis. Maar we laten je niet alleen hoor. Ron blijft hier, en papa. en Frank ook. Je broers zijn er de hele nacht. Doei Ruud!"...
nog vol onbesef loop ik naar de dubbele deur, die mij weer in die gang zet. Die gang met ziekenhuis lucht. Die gang met de geur van ellende, van dood, en niet van genezing. Nee, dan zou je wel ergens anders liggen. Niet op de intensive care. "Dit was mijn afscheid", dringt dan tot me door. Dit was het laatste contact met Ruud. Samen met mama loop ik naar buiten. Dan voel ik weer die insectenbeet. Die pijn die me al heel de dag teistert, maar even was verdwenen voor de tijd met Ruud. Maar nu bijt het weer. De wind blaas tegen mijn handen, en mijn haar waait voor mijn ogen. Een sluier van emoties. De stoplichten bleven langer rood dan normaal, en de mensen waren agressiever. En mijn moeder bleef praten. Dat hoort bij haar. stilte is er niet bij. Herrinneringen werden opgehaald, en meer en meer besefte we dat het lijden van Ruud heel onze familie hechter maakte. Dat is ook altijd zijn grootste wens geweest. Niet het lijden, maar wel de familie als hoogste prioriteit. Veel meer had hij ook niet.
En nu Ruud, nu vloeien er tranen over mijn wangen voor jou. tranen van liefde. Jij zal blijven leven Ruud. In onze harten. Want je bent altijd zo heerlijk jezelf geweest. En zo zullen we je blijven herrinneren.
Doei Ruud, voor de laatste keer. En ik zie je later weer terug toch?...

maandag 16 juli 2007

Terug bij af. een rap by my hand.



Ik ben weer terug bij af, de reis lijkt een cyclus, het zij aan zij getij ontwijdt, je steelt wat me lief is, ontvang deze rap nu alsof het een brief is, weet dat het niet niets is, dat ik opnieuw moet zien hoe verdriet is door mijn diepste feelings. Mijn hart schreeuwt mijn wil met een gil van stilte, want steeds als jij zo stil bleef, zag ik dat je gilde. Zie mij nu van binnen tussen de zinnen beginnen met het zoeken naar woorden die niet zijn te vinden om naar jou toe te zingen, gedachten blijven spoken als innerlijke schimmen. Je kijkt van af een bergtop ‘verboden te beklimmen’. Jouw ogen zijn het in me, je lach die me beminde, je stem voert me mee als onbekende winden. Wat wil je, wie speel je, het rilt hier van de stilte. Het verhaal dat in je schuilt vanachter die ogen, ik kan wel blijven kloppen maar die deur gaat niet open, als mijn leven een weg is wil ik die met jou lopen, spuug in mijn gezicht en ik zal je niet verstoten, elke leugen in mijn hoofd is een kogel, afgevuurd van achter en door jouw hand geschoten, de woorden die je zwijgt zijn bereidt mij te doden, sorry dat ik ben, en heb durven te hopen.

Een roos lag op de tafel, ik had em net voor je gekocht,
Maar je stilte zei genoeg, ik heb je niet gezocht
Sorry dat ik ben wie ik ben en durf te hopen
Je ogen zijn als messen en mijn wond ligt nu open

Nu kijk ik door de ramen met tranen jouw verhalen te herhalen die maakte dat ik straalde maar nu, slechts de adem uit me halend, mijn emotie bepalend, je woorden snijden diep, het is een blijvende schade, er is geen nieuw begin als witte gewaden, er is alleen een waas helaas die mij steeds doet verdwalen, geen middel in de wereld om de prijs te betalen, maar licht blijft licht, sterren blijven stralen, zonlicht schijnt opnieuw in de diepte van de dalen, maar de koelte van mijn hart laat de warmte niet ontwaken, verstopt in een hoekje ligt de hoop nog te slapen, geblokkeerd in het duister, achter jouw blokkade. ’t Is tijd voor een verandering, de steen moet worden weggerold ik weet dat het niet anders is, stem van het licht in de tijd dat ik je handen mis, geen rem om mijn gedicht omdat ik weet wanneer ik kansen mis, de wolken breken open als je inziet wat het antwoord is. Ik ben gaan drinken bij de bron van liefde, door tranen gedreven omdat ik zelf niets heb te bieden, mijn leven daar begraven want winnen werd verliezen, alles kreeg een nieuwe start en nu mag ik weer genieten.

Een roos lag op de tafel, ik had em net voor je gekocht,
Maar je stilte zei genoeg, ik heb je niet gezocht
Sorry dat ik ben wie ik ben en durf te hopen
Je ogen zijn als messen en mijn wond ligt nu open